3.2.2.1 Betonnen bruggen

Bij de krachtsafdracht in een betonnen brug (uit oplegging of vijzel) dient rekening gehouden te worden met:

  • Juiste betonsterkteklasse om de druk op te kunnen nemen (indien nodig gewapend);
  • Voldoende randafstand (Indien nodig ankerplaten toepassen).

Rijkswaterstaat eist in de ROK (art 6.4) dat bij steunpunten waarboven een voegovergang of buigslappe voeg aanwezig is, de opleggingen op afzonderlijke betonpoeren worden geplaatst. Dit geldt ook voor een bovenbouw bestaande uit geprefabriceerde liggers. De poeren mogen niet groter zijn dan noodzakelijk is voor het dragen van de oplegging, rekening houdend met een minimaal benodigde randafstand.

Het verloop van de oplegdrukken onder de oplegging is afhankelijk van het type oplegging. Voor rubberopleggingen geldt een gelijkmatige oplegdruk bij een centrische verticale oplegreactie. Voor andere typen opleggingen geldt vaak een andere verdeling, zie onderstaand figuur. De toetsing wordt echter uitgevoerd op basis van een aangenomen gelijkmatig verdeelde oplegdruk.

 

Oplegdrukken onder bolsegment- respectievelijk potopleggingen.

 

De benodigde afmeting van opstorten en randafstanden voor de ondergelegen betonconstructie is af te leiden uit de art 10.9.4.7 en art. 10.9.5.2 van NEN-EN 1992-1-1.