4.3 Levensduur

De levensduur van een oplegging hangt voornamelijk af van slijtage (van glijdelementen en afdichtringen), vermoeiing (van stalen delen) en veroudering (door ozonaantasting, corrosie van staal, degradatie van rubber). Deze fenomenen dragen ertoe bij dat opleggingen over het algemeen een werkzame levensduur hebben die korter is dan het kunstwerk.

Belangrijk voor alle type opleggingen is dat er geen sprake is van langdurige chloridebelasting, bijvoorbeeld via open of lekkende voegen. Zoutinwerking leidt tot aantasting van de oplegging en verkort per definitie de levensduur.

De levensduur van opleggingen is helaas nog niet door middel van berekeningen of op basis van testen in te schatten. Over het algemeen hebben opleggingen, indien goed ontworpen, geplaatst en onderhouden een levensduur van minimaal 50 jaar. Omdat staalgewapende rubberopleggingen al lang worden toegepast, is op basis van ervaring vastgesteld dat dit type oplegging inderdaad een levensduur heeft van tenminste 50 jaar (tenminste indien goed ontworpen, geproduceerd en gemonteerd).

Effectief onderhoud verlengt de levensduur. Helaas blijkt de praktijk weerbarstig. In combinatie met lekkende voegovergangen degraderen opleggingen sneller dan nodig of anders dan voorzien. Vooral tijdig onderhoud aan de voegovergangen kan de levensduur van de opleggingen sterk verlengen.

Het is van belang om de levensduur te vergroten vanwege de hoge kosten die komen kijken bij het vervangen van opleggingen. Die kosten bestaan, naast de aanschafkosten van de opleggingen zelf, ook uit kosten voor bereikbaarheid, sloop- en reparatiewerkzaamheden en de inzet van hulpconstructies en vijzelmaterieel. Het uitvoeren van vervangingswerkzaamheden moet zorgvuldig plaatsvinden om de juiste belasting op oplegging en aangrenzende constructies te verkrijgen. Bij slordige uitvoering ontstaan risico’s op schade t.g.v. afwijkende belastingen.