3.3.6.1 Algemeen

Onder invloed van temperatuurverhoging zetten constructies uit en bij temperatuurverlaging krimpen ze. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door gedurende het jaar veranderende omgevingstemperatuur (schaduwtemperatuur), anderzijds door de dagelijkse temperatuurvariaties (dag-nacht), bijvoorbeeld opwarming onder de invloed van zonbestraling en afkoeling door regen, hagel of sneeuwbuien. Dit verschijnsel is niet alleen lineair, maar door aanstraling van boven of opzij kunnen constructies ook bol en hol gaan staan en kunnen ze krom staan in het horizontale vlak.

De uitzettingscoëfficiënten, thermische geleidbaarheid en specifieke warmtecapaciteit zijn materiaalafhankelijk. De daarmee gepaard gaande mate en snelheid van vervormingen ten gevolge van stijging/daling van de constructietemperatuur is dus per materiaal en constructietype verschillend.

De temperatuur is weliswaar wisselend van karakter, maar kan beschouwd worden als een statisch effect, dat in aanvulling op de lengte en breedteveranderingen die excentriciteiten tot gevolg hebben, ook tot hoekverdraaiingen kan leiden en dwangkrachten. Het gedrag van de constructie moeten worden bepaald met NEN EN 1991-1-5 C1.

De vervormingen ten gevolge van temperatuur kunnen worden berekend met de richtlijnen gegeven in NEN EN 1991-1-5 met correctieblad C1 en de nationale bijlage NB. Onderscheid moet gemaakt worden in de gelijkmatige temperatuurcomponent en de temperatuurverschilcomponent.

 

023