2.1 Inleiding & historie

Bij de allereerste bruggen en viaducten waren voegovergangen feitelijk niets anders dan open rijroosters, beëindigingsijzers. Voor grotere bruggen werden eigen ontwerpen van vingervoegen toegepast. Rijkswaterstaat Directie Bruggen (1946-1981) en Directie Wegen (1936-1981) maakten deze ontwerpen zelf.  Wat later, begin jaren 60, werden er ook diverse typen lamellenvoegen toegepast, die voornamelijk uit het buitenland kwamen. De ervaringen hiermee waren lang niet altijd erg positief. In 1968 werd besloten  alleen nog meervoudige voegovergangen van Maurer toe te passen, die het beste presteerden.

De verkeersbelasting van toen was nog niet te vergelijken met nu. Er werd vooral robuust geconstrueerd en er werd niet veel aan gerekend. Open rijroosters werden vanaf 1960 dichte rijroosters  vanwege de als hinderlijk ervaren lekkage en daaruit ontstane schades, toen voornamelijk nog uitspoelingen van taluds en esthetisch van aard. Chloride geïnitieerde wapeningscorrosie van de betonconstructie kwam pas later in de jaren 80 in beeld.

Ontwikkelingen jaren “70

Voor enkelvoudige voegovergangen bestond geen specifieke norm.  De rijroosters waren de standaardoplossing en daarnaast werd er in de jaren 70 voor het eerst geëxperimenteerd met kunstharsvoegen bij renovatie/schadeherstel. In 1977 verscheen een evaluatierapport van directie Wegen waarin toepassing van kunstharsvoegen werd toegestaan voor nieuwbouw en renovatie.  Vanaf dat moment werden rijroosters steeds minder toegepast. Naast kunstharsvoegen deden ook bitumineuze voegovergangen halverwege de jaren 80 hun intrede.  De grote gevolgen van lekkende voegovergangen werden inmiddels wel op grote schaal duidelijk: chlorideaantasting van de betonconstructie onder de voegovergangen.

 

Ontwikkelingen jaren “90

Vanaf 1990 ging Rijkswaterstaat Directie Bruggen over in de Bouwdienst Rijkswaterstaat. In dat jaar verscheen een rapport waterdichte rijbaanovergangen 1990 waarin de ervaringskennis van dat moment werd vastgelegd. Het was vooral een kennisrapport met achtergronden en aanbevelingen voor de constructeurs van bruggen en viaducten, geen normatief document. Hoofdstuk 11 bevat een interessant historisch overzicht van zowel enkelvoudige als meervoudige voegovergangen.

Met de ontwikkeling van de kennis van de techniek en het niet meer zelf willen ontwerpen/voorschrijven van voegovergangen, ontstond behoefte aan eenduidige regelgeving voor het ontwerpen van voegovergangen. De allereerste eisen die in Nederland werden gesteld aan voegovergangen waren vastgelegd in de NBD00710  (NBD= Norm BouwDienst). De eerste versie uit 1992 werd opgesteld als specificatie voor de Martinus Nijhofbrug bij Zaltbommel. In 1994 verscheen er een richtlijn bitumineuze-voegovergangen, waarin de ervaringskennis van dat moment werd vastgelegd.

 

Modificatie van rijroosters

De als waterdicht bedoelde rijroosters bleken vaak niet goed waterdicht en in de jaren 90 werd veel geëxperimenteerd met het modificeren van rijroosters, waarbij de originele rubberpakketten werden omgebouwd naar klauwprofielen. Het bleek een succes, maar modificatie was soms zeer bewerkelijk en niet in alle gevallen mogelijk. Voor die gevallen en voor nieuwbouw ontstond behoefte aan specificaties voor enkelvoudige duurzame waterdichte voegovergangen.

Verbetervoorstellen enkelvoudige voegovergangen (2006)

Het functioneren van de enkelvoudige voegovergangen werd in 2006 door Rijkswaterstaat in het project “Verbetervoorstellen voor enkelvoudige voegovergangen” geëvalueerd. Daarbij werd ook gekeken naar de ervaringen in België en Duitsland. In dat rapport kwam duidelijk naar voren dat de kunsthars voegovergangen, mattenvoegen en bitumineuze voegovergangen in autosnelwegen zeer slecht presteerden. Deze evaluatie lag mede ten grondslag aan de ontwikkeling van de NBD00400 uit 2006. Deze norm bood twee referentieontwerpen: één voor nieuwbouwsituaties en één voor renovaties/vervanging. Vooruitlopend op deze norm, publiceerde Rijkswaterstaat deze keuze in het informatiebulletin 2005-01.

Vanaf 2006 bestonden er dus 2 normen voor voegovergangen, één voor meervoudige voegovergangen en één voor enkelvoudige voegovergangen.  Vanwege de slechte ervaring met de bitumineuze voegovergangen in autosnelwegen ontstond ook hier behoefte aan nieuwe inzichten en regelgeving.

Aandacht voor geluid (2009)

Intussen stonden de ontwikkelingen niet stil. Met het stiller worden van asfalt en het steeds meer toepassen van geluidsschermen bij autosnelwegen ontstond steeds meer geluidshinder door voegovergangen.  Door veel onderzoek is de NBD00401 Geluidseisen voegovergangen ontwikkeld, die uiteindelijk in 2010 van kracht werd.  De “traditionele” bitumineuze voegovergang bleef ondanks de slechte prestaties lange tijd de enige stille oplossing.  Rijkswaterstaat besloot in 2009 om de markt middels een prijsvraag uit te dagen duurzamere types te ontwikkelen.  Voor de verificatie en validatie werden de uit deze prijsvraag geselecteerde oplossingen onderworpen aan diverse proeven en daarna in de praktijk ingebouwd en gemonitord. In 2012 verscheen het Eindrapport stille duurzame voegovergangen.

Om nog te kunnen voldoen aan de geluidseisen werden ook andere stillere oplossingen door de markt ontwikkeld. Voor enkelvoudige voegovergangen kwamen er vanuit de markt varianten van de referentieontwerpen van de voegovergangen in de NBD-00400, nu uitgerust met zogenaamde sinusplaten.

 

Europese ontwikkelingen

Tegelijkertijd stonden de ontwikkelingen in Europa niet stil. De Eurocode werd ontwikkeld en voor voegovergangen werd een ETAG (European Technical Approval Guideline) ontwikkeld (ETAG032: Guideline for European Technical Approval of Expansion Joints for Road Bridges),  die uiteindelijk in 2013 is gepubliceerd.

De ETAG032 bestaat uit 8 delen: 1 algemeen deel en 1 deel per voegovergangfamilie:

Part 1: General
Part 2: Buried Expansion Joints
Part 3: Flexible plug Expansion Joints
Part 4: Nosing Expansion Joints
Part 5: Mat Expansion Joints
Part 6: Cantilever Expansion Joints
Part 7: Supported Expansion Joints
Part 8: Modular Expansion Joints

 

Het ontstaan van de RTD1007-reeks

Met het in werking treden van de Eurocode hadden de NBD00400 en NBD00710 hun tijd er op zitten. Er ontstond behoefte aan 1 norm voor voegovergangen, gebaseerd op de Eurocode en die zo veel mogelijk aansloot op de ETAG032.  Volledige aansluiting op de ETAG032 bleek voor Rijkswaterstaat niet wenselijk omdat de eisen voor met name voor voegovergangen in autosnelwegen niet voldoende zwaar zijn. Met als uitgangspunt duurzame waterdichte geluidsarme voegovergangen is in 2012 de RTD1007-2 ontwikkeld. De eerste versie 1.0 per 1-4-2013 in werking getreden.

De eisen ten aanzien van de geluidsproductie zijn in RTD 1007-3 uitgewerkt, als

In totaliteit bestaat de RTD1007 uit de volgende delen:

  • deel 1: “de meerkeuzematrix”.
    Dit moet beschouwd worden als hulpmiddel om een weloverwogen keuze te maken uit de voegovergangconcepten met hun voor- en nadelen.
  • deel 2: “eisen voor voegovergangen”.
    Voor de geluidseisen wordt verwezen naar de RTD1007-3
  • deel 3: “geluidseisen voor voegovergangen”
    Dit deel bevat de eisen en bepalingsmethoden met betrekking tot geluidsemissie van voegovergangen en is de opvolger van de NBD00401.
  • deel 4: “Richtlijnen voor flexibele voegovergangen”
    Dit deel geeft eisen en verificatiemethoden voor flexibele voegovergangen (familie 4 uit de meerkeuzematrix).
    Dit deel is bedoeld als een handreiking om te komen tot een nieuwe generatie duurzame flexibele voegovergangen met een levensduur van minimaal 10 jaar in autosnelwegen.

In de volgende paragrafen zal kort worden ingegaan op de belangrijkste eisen en bepalingen in de RTD1007-2.

 

 

 

Bijlagen

pdf Evaluatierapport Voegovergangconstructies van epoxybeton (1977)
pdf NBD00400 versie 02-02-2006 Nederlands
pdf NBD00401 Geluideisen voegovergangen
pdf NBD00710 versie 31 - 27-01-2007 (NL)
pdf Informatiebulletin RWS 2005-01