2.4.5 Minimaliseren van contact- en/of pulsgeluid

Wanneer een voertuig over een voegovergang van een kunstwerk rijdt, geeft dat in de meeste situaties een impulsachtig geluid. Dit impulsachtige geluid van de voegovergang kan een bron van (extra) hinder zijn voor directe omwonenden en kan daarnaast ook duidelijk hoorbaar zijn op grotere afstand. In de Nederlandse geluidwetgeving voor wegverkeer wordt aan deze hinder geen specifieke aandacht gegeven. De normstelling is gebaseerd op jaargemiddelde equivalente geluidniveaus. De piekgeluiden van een voegovergang zullen voor de meeste geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van een kunstwerk een verwaarloosbaar effect hebben op dit equivalente geluidniveau.

Vanuit de wegbeheerder wordt vaak wel aandacht gegeven aan deze specifieke geluidbronnen. Deze aandacht voor het geluideffect van voegovergangen is ingegeven door de wens om hinder en daarmee ook klachten van omwonenden te beperken. De manier om aan dit aspect handen en voeten te geven is nogal divers. Tot enkele jaren geleden was er voor de Nederlandse situatie weinig feitenmateriaal en nog minder een uniforme manier om het geluid van voegovergangen te beperken. Over het effect van diverse typen voegovergangen is vanuit Europese onderzoeken inmiddels het één en ander bekend, en ook in Nederland zijn al vele onderzoeken uitgevoerd.

Voor de hinder van voegovergangen valt het volgende op:

  • De hinder wordt vooral veroorzaakt door het type geluid: de korte impulsachtige geluiden van passerende voertuigen, die duidelijk herkenbaar zijn boven het ruisachtige achtergrondgeluid van een verkeersweg;
  • Het feit dat door het laagfrequente karakter dit impulsgeluid extra ver hoorbaar is;
  • Doordat een kunstwerk meestal op een forse hoogte boven het maaiveld ligt, is de uitstraling naar de omgeving (ook via de onderzijde van het kunstwerk) erg effectief.

Van belang bij het karakteriseren van de geluideffecten van voegovergangen is om onderscheid te maken tussen het effect op de maximale geluiddrukniveaus (als een voertuig voorbij rijdt) en het effect op het equivalente geluiddrukniveau (een gemiddelde waarde voor een verkeersstroom). Op basis van meetresultaten kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

  • Voegovergangen kunnen afhankelijk van het type voeg en van het aangrenzende wegdektype tot fors hogere maximale geluiddrukniveaus leiden (circa 3 tot 10 dB(A) ten opzichte van de plaatselijke referentie);
  • Het effect van een voegovergang op de equivalente geluiddrukniveaus blijft veelal beperkt tot een maximale toename van circa 2 dB(A) zeer dichtbij de weg;
  • Op grotere afstand van de weg zullen de voegovergangen nauwelijks invloed hebben op het equivalente geluiddrukniveau;
  • De toename van het maximale geluiddrukniveau is voor lichte motorvoertuigen groter dan voor zware motorvoertuigen;
  • Het geluiddrukniveau onder en naast het kunstwerk is sterk afhankelijk van de meetpositie;
  • Het geluid onder het kunstwerk kan een belangrijke bron zijn voor de afstraling naar de omgeving.

Voor de geluideigenschappen van een voegovergang is het alignement van de weg richting de voegovergang en de gerealiseerde vlakheid van de voegovergang zelf van groot belang. Als de vlakheid ten opzichte van het wegdek voor en na de voeg niet goed is, dan kan de voegovergang zelf een goed ontworpen “stille voeg” zijn, terwijl de randjes voor en na de voeg toch voor typische geluidhinder van een voeg zorgen. Hetzelfde geldt voor afwijkingen in het langs-alignement van de weg aansluitend op de voegovergang. Een veel voorkomende situatie is weergegeven in onderstaand figuur. In de loop der tijd is een ZOAB overlaging op bestaande kunstwerken toegepast, waarbij de bestaande harde voegovergangen een dwangpunt vormden. Om te voorkomen dat ondanks toepassing van geluidsarme voegovergangen toch een te hoge geluidemissie ter plaatse van de voegovergang ontstaat dient vervanging van de voegovergang in die gevallen gelijktijdig plaats te vinden met vervanging van de verharding, waarbij het gehele wegalignement gecorrigeerd wordt. Ook bij nieuwe kunstwerken kan het voorkomen dat onvoldoende rekening wordt gehouden met het effect van een te grote zeeg op de hoogteligging van de voegovergangen waardoor ongewenste afwijkingen in het langsalignement ontstaan.

Wijzigingen in het langsalignement bij bestaande kunstwerken
Wijzigingen in het langsalignement bij bestaande kunstwerken

 

In de RTD1007-3 zijn de geluidseisen en de meetmethode voor voegovergangen weergegeven. Onderstaand figuur geeft de meetmethode weer.

Meetmethode geluidsmeting
Meetmethode geluidsmeting

 

 

De eisen zijn afhankelijk van de objectspecifieke situatie (bebouwing), de rijsnelheid, het toegepaste type asfalt en het al dan niet aanwezig zijn van geluidsschermen. Bij het ontwerp van een kunstwerk moet een voegtype worden gekozen dat na aanleg met grote zekerheid zal voldoen aan de gestelde geluideisen. Een overzicht met de verschillende voegtypen, de daarbij relevante informatie over het toepassingsgebied en de te verwachten akoestische prestaties, is weergegeven in de RTD1007-1 (Meerkeuzematrix Voegovergangen.)

Voor voegovergangen met een grote dilatatiecapaciteit is het technisch niet altijd mogelijk om aan de geluideisen uit deze norm te voldoen. In deze gevallen geldt het ALARA – principe (`As Low As Reasonably Achievable’). Dit houdt in dat de best toepasbare techniek zal worden toegepast. Aanbevelingen over het ALARA-principe staan beschreven in bijlage 3 van RTD1007-3.

De eis aan de geluidemissie van een voegovergang is tweeledig, namelijk een geluideis aan de bovenzijde van het kunstwerk en een geluideis aan de onderzijde van het kunstwerk. De waarde van de geluideis is direct afhankelijk van de concrete situatie waar de voegovergang wordt ingebouwd. Naarmate er meer geluidmaatregelen zijn toegepast, in de vorm van een stil wegdek en/of geluidschermen, wordt de geluideis strenger. De geluideis is uitgedrukt als een geluidniveau in dB(A) en wordt afgerond op een geheel getal.

 

Geluideis boven het kunstwerk

Voor de geluidemissie boven het kunstwerk is de eis geformuleerd als: “het geluidniveau boven het kunstwerk, als gevolg van passages van lichte motorvoertuigen over de voegovergang, dient het geluidniveau van het stilste aangrenzende wegdek met niet meer dan 5 dB(A) te overschrijden”.

 

Geluideis onder het kunstwerk

Voor de geluidemissie onder het kunstwerk is de eis geformuleerd als: “het geluidniveau onder het kunstwerk, als gevolg van passages van zware motorvoertuigen over de voegovergang, dient ten opzichte van het stilste wegdektype naast de voegovergang minimaal 10 dB(A) lager te zijn bij afwezigheid van geluidschermen en minimaal 15 dB(A) lager te zijn bij aanwezigheid van geluidschermen”. Deze geluideis is uiteraard slechts van belang als er ook daadwerkelijk geluid van onder het kunstwerk afstraalt naar de omgeving.

Geluidseisen voor voegovergangen; respectievelijk bovenzijde en onderzijde KW
Geluidseisen voor voegovergangen; respectievelijk bovenzijde en onderzijde KW

 

Bovenstaand figuur is een grafische weergave van de geluideis onder het kunstwerk, voor verschillende snelheden en drie wegdektypes, voor zowel zonder als met geluidschermen (op de verticale as aan de rechterzijde staan de geluideisen weergegeven bij aanwezigheid van een geluidscherm).

 

Aanwezigheid van geluidschermen

Naast het type wegdek wordt ook rekening gehouden met het aanwezig zijn van een geluidscherm langs de weg. Met een geluidscherm langs de weg zal het geluid van onder het kunstwerk voor de omwonenden een belangrijker geluidbron zijn. Bij aanwezigheid van een geluidscherm is de eis daarom strenger. Dit is in voorgaand figuur weergegeven op de rechter as van de grafiek.

 

Maatregelen voor het reduceren van geluid aan de onderzijde

Wanneer een voorziening nodig is die het geluid aan de onderzijde reduceert, wordt er praktisch veelal gekozen voor isolatie aan de onderzijde van de dilataties. Dit is mogelijk met een stalen behuizing met bijvoorbeeld steenwol. Ook zijn er nieuwe producten ontwikkeld in het buitenland.

Geluidslabelwaarde

In de aanleg- en renovatiecontracten van Rijkswaterstaat dient de geschiktheid van een toe te passen voegovergang vooraf te worden aangetoond. Met de vooraf aangetoonde geschiktheid is de verwachting dat de realisatie bij een zorgvuldige uitvoering van zowel de voegovergang als de aansluitende verharding aan de gestelde geluideisen zal voldoen.

De akoestische eigenschappen kunnen op twee manieren vooraf worden geverifieerd:

  • De Meerkeuzematrix Voegovergangen
  • Documentatie van de leverancier

Omdat alleen toetsing vooraf plaats vindt, moet met grote mate van zekerheid gesteld kunnen worden dat de voegovergang voldoet aan de geluideisen uit de RTD 1007-3. In de Meerkeuzematrix Voegovergangen is per type voegovergang en per uitvoeringsvariant een GeluidLabelWaarde (GLW) weergegeven. Dit is het geluidniveau wat statistisch gezien slechts in 10% van de gevallen wordt overschreden. Wanneer de GeluidLabelWaarde lager is dan de geluideis, heeft de verificatie op voorhand plaatsgevonden.

Het is mogelijk dat een specifiek product akoestisch beter presteert dan de specificaties die voor dit type voegovergang zijn opgenomen in de Meerkeuzematrix. Ook kan een nieuw type voegovergang worden aangeboden dat nog niet beschreven staat in de Meerkeuzematrix. In die gevallen kan de leverancier zelf een GeluidLabelWaarde voor zijn product aanleveren waarmee op voorhand wordt aangetoond dat de voegovergang voldoet aan de geluideis. De wijze waarop een leverancier de akoestische eigenschappen van een voegproduct kan aantonen, is beschreven in bijlage 5 van RTD1007-3.

De geldigheid van de verklaarde geluidsprestaties van een voegovergang dient vastgesteld te zijn. Daarbij dienen tenminste de volgende invloeden beschouwd te zijn:

  • de overgang op de aansluitende verharding
  • de hoek tussen de voegovergang en de rijrichting
  • de voegopening

Toetsing van de geluidemissie na realisatie van het werk is alleen noodzakelijk indien er gerede twijfel is ten aanzien van het voldoen aan de geluideis. Daarnaast is een onderzoek op basis van metingen alleen dan noodzakelijk wanneer er woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn in de nabijheid van de voegovergang. Aan het begrip “nabijheid” is in bijlage 4 van de RTD 1007-3 invulling gegeven.