2.4.2.3 Ongelijkheden in het wegdek

Uit oogpunt van comfort, maar ook in verband met beperking van geluidshinder mogen in onbelaste toestand tussen de onderdelen van de voegovergang die de rijweg vormen (het bereden vlak), gemeten onder een rei van 3 meter geen grotere afwijkingen in de vlakheid bestaan dan 5 mm. Deze eis geldt in alle richtingen. Voor abrupte niveauverschillen geld een maximum van 3 mm (oppervlakteruwheid en spleten en openingen niet meegenomen). Voor de aansluiting van de wegverharding op de voegovergang geldt dat het niveau van de wegverharding minimaal gelijk dient te zijn aan het niveau van de voegovergang en maximaal 3 mm hoger mag zijn dan het niveau van de voegovergang.
Ook beperken deze eisen de dynamische krachten en de daarop gebaseerde aanvullende dynamische vergrotingsfactor van 1,3, zie §1.4.4) die afgegeven worden naar de constructie.

 

toegestane niveauverschillen t.o.v. de ideale lijn in onbelaste toestand
toegestane niveauverschillen t.o.v. de ideale lijn in onbelaste toestand

 

In belaste toestand (met verkeersbelasting) mag de toename van het niveauverschil in de rijrichting ten opzichte van de ideale lijn niet meer zijn dan de maximale waarde van de vervorming in de bruikbaarheidsgrenstoestand. De maximale waarde van de vervorming is:

  • 0,0025 x l voor een tweezijdig ondersteunde voegovergangsconstructie (waarbij l de lengte van de overspanning haaks op de voegovergang is) met een maximum van 5 mm
  • 0,005 x l voor een uitkragende voegovergangsconstructie (waarbij l de lengte van de vrije uitkraging is) met een maximum van 5 mm

Voor flexibele voegovergangen is enige mate van spoorvorming door gebruik toelaatbaar. Gedurende ontwerplevensduur mag geen relatieve spoorvorming optreden groter dan of gelijk aan 18 mm, zie onderstaand figuur.

 

Absolute en relatieve spoorvorming in flexibele voegovergangen
Absolute en relatieve spoorvorming in flexibele voegovergangen