2.4.2.4 Stroefheid

Het ontwerp van de voegovergang dient zodanig te zijn dat onder normale omstandigheden er geen gevaar ontstaat voor de weggebruikers. Met name bochten en in/uitvoegers zijn risicovolle
locaties waar voldoende stroefheid vereist is. De huidige eis in de RTD1007-2 is overgenomen uit de ETAG032. Voor alle delen van de voegovergang met een oppervlak groter dan 150 x 150 mm dient een minimaal reliëf (textuur) aanwezig te zijn met een diepte van 1,2 mm, of dient met testen aangetoond te zijn dat de ruwheid minimaal gelijk is aan het aansluitende bereden oppervlak
gedurende de ontwerplevensduur van het onderdeel.

Het reliëf dient voldoende fijnmazig te zijn. Slijtlagen zijn zeer fijn en qua stroefheid optimaal, maar hebben een beperkte levensduur. Een in het staal aangebrachte profilering heeft een lange levensduur, maar dient wel fijnmazig genoeg te zijn. Een de goede profilering voldoet aan de volgende criteria:

  • Een groot deel van het oppervlak ligt verdiept
  • Kleine afmetingen van het hoogliggend profiel, bij voorbeeld 20x20mm
  • Sleuven voeren hemelwater voldoende snel af (bijvoorbeeld sleufbreedte min 20mm breed en 3 mm diep)

Over het algemeen geldt:

  • In scherpe bochten bij voorkeur een slijtlaag toe te passen. In de loop der tijd wordt deze slijtlaag in- of uitgereden. Dit vereist dus onderhoud;
  • Rij-ijzers met staalvezelbeton zijn voldoende stroef mits de staalvezelbeton niet glad wordt afgewerkt;
  • Bij grote vingervoegen en sommige enkelvoudige voegovergangen met sinusplaten komen grote vlakken voor, welke voorzien moeten worden van een profilering (zie figuur);
  • Rubber matten zijn doorgaans voorzien van een profilering, maar desondanks niet erg stroef;
  • Flexibele voegovergangen worden altijd voorzien van een slijtlaag;
  • De stalen lamellen van een lamellenvoegovergang behoeven bij rechtstanden in principe geen aanvullende maatregelen , behoudens in scherpe bochten.

 

Profilering van een vingerplaat
Profilering van een vingerplaat