5.1.4.1 Historie

Bij de allereerste bruggen en viaducten waren voegovergangen feitelijk niets anders dan open rijroosters, beëindigingijzers.  De verkeersbelasting van toen was nog niet te vergelijken met nu. Aan de rijroosters werd niet gerekend. Open rijroosters werden vanaf 1960 dichte rijroosters  vanwege de als hinderlijk ervaren lekkage en daaruit ontstane schades, toen voornamelijk nog uitspoelingen van taluds en esthetisch van aard. Chloride geïnitieerde wapeningscorrosie van de betonconstructie kwam pas later in de jaren 80 in beeld. Waar mogelijk werden in open rijroosters ACME-profielen gelijmd, maar of dit leidde tot een goede waterdichtheid was afhankelijk van de aanwezige sponningmaat en mate van aantasting van de randstrippen.

Voor nieuwbouw werd een aangepast “type 30” rijrooster met ACME-pakket ontworpen. Daarnaast ontwikkelde RWS met Vredestein de Enkele Kleine Voeg (EKV, ook wel type A genoemd) met een dilatatiecapaciteit van 10 mm en de Enkele Grote Voeg (EGV, ook wel type B genoemd) met een capaciteit van 30 mm. Het idee achter deze profielen was een gesloten blijvend vlakke bovenzijde waardoor geen slijtage door verkeer en geen vervuiling van de voegspleet kon optreden. De profielen dienden onder blijvende voorspanning te blijven om waterdicht te blijven. Het rijrooster werd zwaarder uitgevoerd, mede i.v.m. de grotere hoogte van het rubberprofiel.

Toepassing van holle afdichtingsprofielen genoot de voorkeur omdat bij lekkage door beschadiging van de bovenzijde van het profiel een tweede waterkering werd verondersteld waardoor tussen moment van constateren en schade aan het afdichtingsprofiel en moment van vervangen de benodigde tijd mocht zitten.

Omdat er behoefte bestond aan voegovergangen met een grotere capaciteit werden vervolgens ook andere profielen ontwikkeld. Spanstaal ontwikkelde het rijrooster met ACME-profiel onder de naam “AW” in verschillende dilatatiecapaciteiten van 20 tot 60 mm. Deze was gebaseerd op het zwaardere rijrooster van de EGV. De rijroosters werden in twee verschillende breedtes geleverd.

 

ACME rijroosters Spanstaal
ACME rijroosters Spanstaal

 

Spanstaal leverde toen ook al voegovergangen met een klauwprofiel en bandprofiel , zoals we dat hedendaags kennen, onder de naam “ACME type 75RW(W)” en “ACME type 80AW” met een capaciteit van respectievelijk 75 en 80 mm. Zie figuur.

Maurer paste een kokerprofiel toe met een capaciteit van 60 mm. Daarnaast leverden ze ook het D75/40-profiel dat voorzien was van een bandprofiel dat was ingeklemd in klauwprofielen.

Maurer rijroosters D75/40 en D60
Maurer rijroosters D75/40 en D60

 

De rijroosters waren tot ongeveer 1980 de standaardoplossing. In 1977 verscheen een evaluatierapport van directie Wegen waarin toepassing van kunstharsvoegen werd toegestaan voor nieuwbouw en renovatie.  Vanaf dat moment werden rijroosters steeds minder toegepast. Het rapport “waterdichte rijbaanovergangen voor bruggen en viaducten” uit 1990 bevat een interessant historisch overzicht van de diverse rijrooster voegovergangen.

Rijroosters bevinden zich nog steeds in veel kunstwerken, soms nog met de originele afdichtingprofielen. De conditie van de rijroosters is meestal wel goed, maar de afdichtingsprofielen zijn door verschillende oorzaken meestal niet meer waterdicht. Door krimp en kruip van de constructie voldoet vaak de dilatatiecapaciteit niet meer en zal onvoldoende blijvende voorspanning op het rubberprofiel aanwezig zijn. Ook zijn de staal-rubberpakketten van de EGV of ACME-rijroosters niet altijd doorgaand afgelast, met spleetcorrosie en lekkage tot gevolg. Het vervangen van het afdichtingsprofiel is dan ook vaak niet de oplossing. Ook kunnen de verticale flanken van het stalen randprofiel ernstig zijn aangetast door spleetcorrosie waardoor geen goed en vlak hechtvlak meer bestaat om een goede waterdichte aansluiting met het rubberprofiel te realiseren.