5.4.5.4 Inpassing

Getoetst dient te worden of er voldoende inbouwruimte aanwezig is en of de aanwezige voegspleet de maximale waarde van het ontwerp van de voegovergang niet overschrijdt. Van de volgende aspecten dient getoetst te worden of de waarden in de objectspecifieke situatie voldoen aan de uitgangspunten van het ontwerp van de voegovergang:

  • Beschikbare minimale inbouwhoogte in de rijbaan en ter plaatse van afwateringsgoten en in schampkanten;
  • Beschikbare inbouwbreedte aan weerszijden van de voeg ten behoeve van afdracht van belastingen.

Indien de dikte van de verharding groter is dan de benodigde dikte van de voegovergang, moet de voegruimte worden gereconstrueerd. Daarbij moet na het verwijderen van de oude voegovergang, de ondergrond worden opgehoogd met een cementgebonden (krimparme) mortel,  welke hechtend op de ondergrond wordt aangebracht. Vervolgens kan dan de nieuwe voegovergang worden aangebracht. Andere materialen dan een cementgebonden mortel voor herstel, uitvlakken of ophogen, mogen slechts worden toegepast indien is aangetoond dat deze bestand zijn tegen de optredende temperaturen bij het aanbrengen van de voegmassa.

De dilatatieopening (voegbreedte) in het brugdek mag niet breder zijn dan de waarde waarin in het ontwerp van de afdekplaat is uitgegaan. Dit i.v.m. de benodigde opleglengte van de afdekplaat, de doorbuiging en daaraan gerelateerde spanningen in de afdekplaat (vermoeiing) en de benodigde breedte aan weerszijden van de afdekplaat t.b.v. aanhechting.