6.7.5 Asfalteren

Bij het asfalteren over en tegen de voegovergangen wordt onderscheid gemaakt tussen twee methoden:

  • asfalteren over de voegovergang, alvorens de voegovergangconstructie aan te brengen;
  • asfalteren tegen de voegovergangconstructie nadat deze is aangelegd.

 

Asfalteren voor aanleg van de voegovergang

Bij het asfalteren voor aanleg van de voegovergang is in de meeste gevallen sprake van een open voegovergang die wordt overbrugd. Met betrekking tot de voegovergang zijn de volgende aspecten van belang:

  • het afschermen van de dilatatie om vervuiling van de landhoofden en steunpunten met kleef of puin te voorkomen;
  • het overbruggen van de dilatatie met een tijdelijke plaat die 3 functies heeft; de dilatatie vrij houden, het beton afschermen tegen kleef en het uitbreken van asfalt goed mogelijk maken;
  • het meten van de asfaltdikte waarmee de zaagsdiepte voor het uitbreken van het asfalt op de juiste diepte ingesteld kan worden.

Bij vervanging van de voegovergangen wordt er t.a.v. de afdekplaat onderscheidt gemaakt in 2 voorkomende scenario’s:

  • de plaat wordt alleen voor het asfalteerproces gebruikt en wordt na afkoeling van het asfalt weer verwijderd voor installatie van de voeg. De plaat moet in dit geval de juiste breedte hebben in relatie tot de nieuwe voegovergang waardoor het asfalt goed uitgebroken kan worden. Het schermt tevens de ondergrond af waar de nieuwe voegovergang op aangebracht zal worden (kleef bv). Het fixeren van deze plaat is nodig om verschuiven van het materiaal door de spreidmachine te voorkomen.
  • de plaat wordt bij voorbeeld in een WBU nacht aangebracht waarbij het verkeer ’s ochtends gebruik zal maken van de deklaag. De plaat ligt er dan nog onder. Het is belangrijk dat de tijdelijke plaat niet onder het asfalt kan gaan ‘veren’ waardoor er schade aan de verharding optreedt. Het is doorgaans raadzaam om de voegovergang zo snel mogelijk aan te brengen.

CJqHtklWIAAGIl3

 

 

 

 

 

 

Asfalteren na aanleg van de voegovergang

Bij het asfalteren na aanleg van de voegovergang wordt er extra aandacht verlangd voor de verwerking hiervan langs de voegovergangconstructie. Vlakheidseisen gelden zowel lokaal als binnen de lengte van een 3m – rei. Zie hoofdstuk 5.3.3 van RTD1007-2. Abrupte toleranties zijn toegestaan tot 3 mm en over de lengte van een rei van 3 meter mag geen hoogteverschil voorkomen groter dan 5 mm. De aansluiting van de verharding op de voegovergangen dient waterdicht te zijn. Normaliter wordt hiervoor een zaagsnede met voegvulling aangebracht. Ook wordt er gebruik gemaakt van bitumineuze “Denso band” dat tegen de aansluitingen wordt aangebracht. Het warme asfalt laat deze bitumineuze band vervolgens iets vloeien waarmee een waterdichte aansluiting mogelijk is. In de praktijk voldoet deze oplossing veelal niet aan de gestelde eisen volgens RTD1007-2 en RTD1009 omdat de aansluiting (het hechtvlak van de band) niet goed wordt gereinigd en de bitumineuze banden een wisselend beeld geven van de werkelijke waterdichtheid.  Zie ook hoofdstuk 5.5 van RTD1007-2.