2.1 Overzicht (vigerende) regelgeving

RTD1007 (Rijkswaterstaat Technisch Document 1007)

Tot 2012 hanteerde Rijkswaterstaat drie normen voor voegovergangen: NBD00400 voor enkelvoudige voegovergangen, NBD00710 voor meervoudige voegovergangen en NBD00401 voor de geluidseisen. Voor flexibel voegovergangen bestond geen echte norm, alleen een praktische richtlijn uit 1994.  Met het in werking treden van de Eurocode en de ontwikkeling van de ETAG032 hadden de NBD00400 en NBD00710 hun tijd er op zitten. Er ontstond behoefte aan nieuwe norm voor voegovergangen, gebaseerd op de Eurocode en die zo veel mogelijk aansloot op de ETAG032.  Volledige aansluiting op de ETAG032 bleek voor Rijkswaterstaat niet wenselijk omdat de eisen voor met name voor voegovergangen in autosnelwegen niet voldoende zwaar zijn en ook omdat de ETAG032 niet alle aspecten omvat. De belangrijkste functie van de met als uitgangspunt duurzame waterdichte geluidsarme voegovergangen is in 2012 de RTD1007-2 ontwikkeld. De eerste versie 1.0 per 1-4-2013 in werking getreden.

In totaliteit bestaat de RTD1007 uit de volgende delen:

  • deel 1: “de meerkeuzematrix”.
    Dit moet beschouwd worden als hulpmiddel om een weloverwogen keuze te maken uit de voegovergangconcepten met hun voor- en nadelen.
  • deel 2: “eisen voor voegovergangen”.
    Dit deel bevat de (standaard) eisen voor voegovergangsystemen. Voor wat betreft de verificatiemethoden gelden in de basis de methoden zoals die zijn opgenomen in de ETAG032 en de daarvan afgeleide huidige EAD’s.
    Voor de geluidseisen wordt verwezen naar de RTD1007-3
  • deel 3: “geluidseisen voor voegovergangen”
    Dit deel bevat de eisen en bepalingsmethoden met betrekking tot geluidsemissie van voegovergangen en is de opvolger van de NBD00401.
  • deel 4: “Richtlijnen voor flexibele voegovergangen”
    Dit deel geeft eisen en verificatiemethoden voor flexibele voegovergangen (familie 4 uit de meerkeuzematrix). Dit deel is bedoeld om te komen tot een nieuwe generatie gevalideerde duurzame flexibele voegovergangen met een levensduur van minimaal 10 jaar in autosnelwegen. De praktische richtlijnen uit 1994 zijn hiermee tevens vervallen

In de volgende paragrafen zal kort worden ingegaan op de belangrijkste achtergronden en bepalingen in de RTD1007-2.

Ontwikkelingen

De RTD1007 delen -1, 2 en -3 zijn thans in ontwikkeling. Op basis van ervaringen, nieuwe inzichten en diverse ontwikkelingen (bijvoorbeeld in aanverwante regelgeving) zijn diverse inhoudelijke aanpassingen nodig of gewenst . Een nieuwe versie van RTD1007-4 is reeds in 2020 gepubliceerd. Verwacht wordt dat de nieuwe versie van de andere delen in 2021 gepubliceerd zullen worden.

Europese beoordelingsrichtlijnen

Sinds 2013 is het ook mogelijk om voegovergangsystemen te laten certificeren op basis van Europese beoordelingsrichtlijnen en te leveren met CE-markering.

CE-markering verkrijgen op producten kan in principe op twee manieren:

  • op basis van een door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) opgestelde en door de Europese Commissie vastgestelde geharmoniseerde norm (hEN); in dit geval is de CE-markering verplicht voor alle producten die onder de scope van de norm vallen. Voegovergangen vallen als product niet onder een geharmoniseeerde norm.
  • een European Technical Assessment (ETA) op basis van een European Assessment Document (EAD), welke speciaal voor complexe en individuele (vaak innovatieve) producten waarvoor geen hEN beschikbaar is, wordt opgesteld.
    NB: EAD;s hebben de voormalige documenttypen ETAG (European Technical Assesment Guideline) en  CUAP (Common Understanding of Assessment Procedure) vervangen.

Zowel een hEN als een EAD geven de essentiële kenmerken en de beoordelingsmethoden die van toepassing zijn voor CE-markering. Voor voegovergangen bestaan, in tegenstelling tot opleggingen, nog geen Europese (geharmoniseerde) normen. Binnen Europa (EOTA) zijn wel technische beoordelingsrichtlijnen ontwikkeld voor de verschillende type voegovergangen. De beoordelingsrichtlijnen zijn opgesteld om geharmoniseerde voorwaarden vast te stellen voor het in de handel brengen van bouwproducten, in dit geval voegovergangen.

Volgens de Europese Verordening bouwproducten nr. 305/2011/EU (CPR), die van kracht is sinds 1 juli 2013, moeten bouwproducten die vallen onder een geharmoniseerde Europese norm zijn voorzien van een CE-markering en bijbehorende prestatieverklaring (DoP). Dit geldt voor alle landen binnen de Europese Economische Ruimte (EER, alle EU-landen plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein). Indien deze bouwproducten niet voorzien worden van CE-markering en een DoP, mogen deze niet worden verhandeld en niet worden toegepast in bouwwerken binnen de EER. Fabrikanten van bouwproducten die nog niet of nog niet volledig onder een geharmoniseerde norm vallen, kunnen vrijwillig kiezen voor CE-markering door middel van een Europese technische beoordeling (ETA) op basis van een Europees beoordelingsdocument (EAD). De Europese Verordening bouwproducten verstaat onder een bouwproduct: elk enkel product of een kit (samenstelling van meerdere producten) vervaardigd en in de handel gebracht om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen ervan.

Het hebben van een Europese goedkeuring (ETA) op basis van een EAD is, in tegenstelling tot geharmoniseerde EN-normen (hEN-normen), niet verplicht, maar vrijwillig. Wel vormen de in de EAD’s opgenomen verificatiemethoden het algemeen geaccepteerde technisch referentiekader. Indien men een andere bepalingsmethode wil toepassen dan dient de gelijkwaardigheid hiervan te zijn aangetoond.

Een EAD vormt dus het beoordelingskader voor een bevoegde certificerende instantie om te komen tot een ETA (zie hieronder). Een EAD bevat een lijst met de essentiële kenmerken (producteigenschappen), die relevant zijn voor het door de fabrikant beoogde gebruik van het bouwproduct en de methoden en criteria voor de beoordeling van de prestaties van het bouwproduct die verband houden met die essentiële kenmerken. Vaak zijn dit combinaties van analyses en testen. Met bepaalde uitgangspunten voor belastingen en bewegingen wordt de geschiktheid dan aangetoond en krijgt de voegovergang een European Technical Approval (ETA). Middels zo’n ETA kan worden verklaard welke prestaties het systeem levert en wordt aangetoond dat het systeem is geverifieerd conform de EAD.  Op basis hiervan mag de CE-markering worden afgegeven.

Wanneer een bouwproduct niet valt binnen de toepassingsgebied van een bestaande EAD dient er eerst een nieuwe EAD opgesteld worden alvorens er een ETA op afgegeven kan worden.

De volgende EAD’s zijn thans beschikbaar:

EAD 120011-00-0107 Flexible plug expansion joints with flexible filling based on a synthetic polymer as binder
EAD 120093-00-0107 Flexible plug asphaltic expansion Joints
EAD 120109-00-0107 Nosing Expansion Joints
EAD 120110-00-0107 Mat Expansion Joints
EAD 120111-00-0107 Cantilever Expansion Joints
EAD 120112-00-0107 Supported Expansion Joints
EAD 120113-00-0107 Modular Expansion Joints

De EAD’s zijn voortgekomen uit de ETAG032: Guidelines for European Technical Approval of Expansion Joints for road bridges. Deze ETAG032 kwam voort uit de voorloper van de CPR, de zogenaamde CPD (Construction Products Directive). De ETAG032 sloot niet helemaal goed aan op de CPR. Tijdelijk zijn de ETAG’s in de periode 2013-2020 nog gebruikt als basis voor Europese goedkeuringen. In de periode 2019-2020 is de ETAG032 geconverteerd naar EAD’s. Bij de conversie van de ETAG032 bleek het niet eenvoudig om dit uit te voeren zonder diverse inhoudelijke aanpassingen. De zaken die in algemene deel 1 van ETAG032-1 stonden zijn nu ondergebracht in diverse EAD’s. Voor de algemeen van toepassing zijnde verkeersbelastinguitgangspunten is er voor gekozen om deze in de EAD 120109-00-0107 voor nosing joints onder te brengen. In de andere EAD’s wordt hier naar verwezen.

Een ETA vormt meestal niet het volledige bewijs dat een voegovergang voldoet aan de RTD1007-2. Dit komt doordat in de RTD1007-2 diverse aanvullende en verzwarende eisen en uitgangspunten zijn opgenomen. Voor de aanvullende eisen in RTD1007-2 zijn aanvullende verificaties nodig. Tevens het van belang om te verifiëren dat de prestatie-eisen, zoals die zijn vastgelegd in de uitgangspunten van de EAD niet worden onderschreden.  Aanvullende verificaties zijn in dat geval ook noodzakelijk.

Een voorbeeld betreft de ontwerplevensduur-categorie die in de EAD’s wordt gehanteerd:

Working Life Categorie volgens ETAG0032
Working Life Categorie in ETA’s

Deze working life categorie is gebaseerd op een bepaald uitgangspunt qua verkeerbelasting. In de EAD is voor het aantal zware vrachtauto’s per jaar (N obs ) als uitgangspunt 0,5 miljoen/jaar gehanteerd (verkeerscategorie 2 volgens EN 1991-2, tabel NB.5 -4.5). In de RTD1007-2 is voor autosnelwegen in Nederland echter het uitgangspunt Nobs = 2,0 miljoen/jaar gehanteerd, dus een factor 4 x zo hoog. Daarnaast zijn de vermoeiingsbelastingmodellen in de EAD niet voldoende geschikt geacht voor wegen van verkeerscategorie 1. Zowel voor FLM1ej als FLM2ej zijn wijzigingen opgenomen in de RTD1007-2. Een aanvullende verificatie is voor toepassing in autosnelwegen dus noodzakelijk en alleen de ETA levert niet voldoende bewijs.

Ontwikkelingen

In de periode 2020-2021 gaat de werkgroep op basis van diverse wensen en ervaringen van gebruikers in een tweede stap verder met het inhoudelijk doorontwikkelen en verbeteren van de EAD’s.

 

EN1090-1 en -2

Staalconstructies voor voegovergangen volgens ETAG032 (nu vervangen door de EAD’s) vallen volgens CEN/TR 17052:2017 niet onder de scope van EN 1090-1. Het voeren van CE-markering op basis van hEN-1090 is dus niet verplicht. In de RTD1007-2 is echter wel aangegeven dat staalconstructies moeten worden gefabriceerd volgens de EN1090-2 uitvoeringsklasse 3 (EXC3).  Om aan deze eis aantoonbaar te kunnen voldoen dient de fabrikant dus wel gecertificeerd te zijn volgens deze norm. Zie ook paragraaf 6.5.2 Productie (NEN-EN1090)