2.3.4 Veiligheid

Veiligheid is gedefinieerd als: “Het vrij zijn van onaanvaardbare risico’s in termen van letselschade aan mensen”.

Veiligheid is mathematisch gelijk is aan betrouwbaarheid, met dien verstande dat het falen als mogelijk gevolg menselijk letsel heeft. De veiligheid is een maat voor het gevaar dat een systeem kan opleveren voor mensen. De “Leidraad Integrale Veiligheid” geeft een overzicht van verschillende veiligheidsthema’s. Voor iedere constructie, dus ook voor voegovergangen dient volgens deze leidraad een veiligheidsanalyse te zijn uitgevoerd. Voor voegovergangen zijn van belang: de verkeersveiligheid en constructieve veiligheid. Daarnaast dient het systeem arbeidsveilig te zijn, zowel tijdens het installeren als bij inspectie en onderhoud.

 

Verkeersveiligheid en constructieve veiligheid

Voor het ontwerp van een voegovergangsysteem gelden voor de verkeersveiligheid de ontwerpeisen in RTD1007-2 art 5.3 (zie paragraaf 2.2.4). Deze eisen dienen bij het ontwerp te zijn geverifieerd. Door schadeontwikkeling kan de toestand veranderen waardoor niet meer aan deze eisen wordt voldaan. Enkele voorbeelden:

  • Enkelvoudige voegovergangen: bezwijken van de bevestiging van sinusplaten waardoor de sinusplaat losraakt en in het verkeer terecht komt
  • Vingervoegen: afbreken van vingers waardoor bredere spleten ontstaan die een risico vormen voor motorrijders.
  • Bitumineuze en verborgen voegen: ontstaan van gaten in de voegmassa die een risico vormen voor motorrijders.
  • Lamellenvoegen: bezwijken van stuurveren van lamellenvoegen waardoor de afstanden tussen lamellen te groot wordt.

Voorbeelden van onveilige situaties door (lokaal) falen

Gebruiksveiligheid wordt dus voor een groot deel ook bepaald door constructieve veiligheid, waarbij aspecten als vermoeiing en veranderende krachtsverdeling door slijtage meegenomen moeten zijn in de constructieve analyse zodat sprake is van een veilige levensduur. Constructieve veiligheid kan worden beschouwd als de betrouwbaarheid van de ‘dragende’ functie van de constructie.
Hiervoor gelden de betrouwbaarheidseisen, zie paragraaf 2.3.1

 

Arbeidsveiligheid

Bij het ontwerp van een voegovergangsysteem dient rekening gehouden te worden de arbeidsveiligheid tijdens installatie en bij toekomstig onderhoud. RTD1007-2 stelt geen eisen aan arbeidsveiligheid. Arbeidsveilig werken is algemeen geregeld in de Arbowet- en regelgeving. Risicovolle werkzaamheden zijn o.a. transport/hijsen van geprefabriceerde voegovergangconstructies, boor- en laswerkzaamheden.

Het ontwerp dient te voorzien geschikte hijspunten en duidelijke hijsinstructies zodat deze delen veilig getransporteerd kunnen worden

Stalen voegovergangen worden vaak verzinkt. Het lassen aan verzinkt staal is schadelijk voor de gezondheid. Voor zover er na het verzinken nog gelast moet worden bij installatie dient het zink vooraf verwijderd te zijn of dienen maatregelen genomen te worden zodat zink niet op deze delen wordt aangebracht. Het is niet altijd nodig om secties van stalen voegovergang aan elkaar te lassen. Zo kunnen  randprofielen ook middels boutverbindingen worden doorgekoppeld.

Voegovergangen dienen veelal middels ankers verankerd te worden aan de onderliggende constructie. Bij betonconstructies dient er veel zwaar belastend boorwerk verricht te worden met veel geluid, trillingen en stof. Bij bestaande kunstwerken is het boren in veel gevallen onontkoombaar. In sommige gevallen kan de bestaande verankering hergebruikt worden. Bij nieuwe kunstwerken is boorwerk meestal niet nodig door toepassing van een andere type verankering in een daarvoor voorziene uitsparing. Ook bestaan er systemen om voorgevormde gaten te maken waardoor boorwerk niet nodig is.

Inherent aan voegovergangen is helaas dat de werkzaamheden altijd laag bij de grond worden uitgevoerd waardoor veel gebukt en geknield gewerkt moet worden.  Door prefabricage en doorontwikkeling van automatisering kan het aantal menselijke activiteiten zoveel mogelijk beperkt blijven.

Voor bepaalde typen voegovergangen is het van belang dat ook voorzieningen worden getroffen om veilig inspectie en onderhoud uit te kunnen voeren, zie hiervoor de voorgaande paragraaf